Download hier de printversie (PDF)
1. Inleiding
Dialecten, ook de dialecten van Noord-Brabant, hebben als kenmerkende eigenschap dat zij in
verscheidene taalcomponenten verschillen van de standaardtaal én van andere dialecten. Een
dialect lijkt niet evenveel op alle andere dialecten en dialecten die niet veel van elkaar verschillen
worden als verwant beschouwd.
De verschillende taalcomponenten die ik zojuist noemde zijn eenvoudig gezegd te verdelen
in zinnen, woorden en klanken. Een dialect verschilt dus in de eerste plaats van de standaardtaal,
het Standaardnederlands, op het gebied van de klanken; vele dialecten in Noord-
Brabant kennen bijv. de [ao], zoals in gaon of laote, en die klank komt in het Standaardnederlands
niet voor; alleen in enkele leenwoorden (bijv. corps diplomatique) zit deze klank of toch
een klank die de [ao] benadert. Op de tweede plaats verschilt een dialect van het Standaardnederlands
op het gebied van de woorden; zo zegt men in Brabant gewoonlijk peperkoek voor
kruid- of ontbijtkoek en dat woord bezigt men boven de rivieren niet. Op de derde plaats verschilt
een dialect op het gebied van de zinnen en kan men in het Brabants Hier gebéúrt ók nojt niks
nie 'Hier gebeurt ook nooit niets niet' (hier gebeurt ook nooit wat) zeggen. Ook wanneer de Brabander
Algemeen Nederlands spreekt, dus gruts pròt, hoor je aan zijn tongval dat hij uit het zuiden
komt. In feite klinken typische Brabantse dialectkenmerken dan door in zijn accent. Zo
spreekt hij Algemeen Nederlands met een zachte [g] en laat hij vaak de [t] weg aan het einde van
een woord: i.p.v. niet, wat en dat hoor je nie, wa en da. Het is zelfs zo dat veel woorden en zinnen
in het Algemeen Nederlands van de Oost-Brabander sluipen, waarvan hij niet weet dat ze Brabants-
getint zijn, bijv. friet in plaats van patat, da heeft-ie nie bij in plaats van 'dat heeft hij niet bij
zich', hij schaamt z'n eige i.p.v. 'hij schaamt zich' en zulle we aanrije in plaats van 'zullen we vertrekken',
waarop de Noord-Nederlander zich kan afvragen wie het slachtoffer van de aanrijding
worden zal. Zoals gezegd verschillen dialecten evenwel niet alleen van de standaardtaal, maar
ook van de andere dialecten. Verderop zal ik wat uitgebreider ingaan op een aantal gevallen van
taalvariatie in Noord-Brabant.
Taalvariatie binnen Noord-Brabant heeft natuurlijk een oorzaak. Vaak is deze niet meer
precies te achterhalen, omdat onze taal en dialecten een eeuwenlange ontwikkeling hebben
doorgemaakt en van oudere taalstadia ontbreken voldoende geschreven bronnen. Een aantal
factoren die taalvariatie in Noord-Brabant hebben veroorzaakt, kunnen nog wel worden bepaald
en dat is vooral te danken aan het onderzoek van de Nijmeegse emeritus hoogleraar Weijnen,
dat werd ingezet met zijn proefschrift uit 1937 en o.m. werd uitgebreid in 1947. Taalvariatie
blijkt vaak een oorzaak te hebben in identiteit: het gevoel dat men bepaalde eigenschappen, zoals
taalgebruik, bezit binnen het kader van een bepaalde gemeenschap, de groep mensen waar
men zich toe rekent.
2. Oost- en West-Brabants
De dialecten van Noord-Brabant verschillen onderling, maar ze verschillen niet allemaal evenveel
van elkaar. Sommige dialecten lijken veel op hun buurdialecten en andere doen dat weer
niet. Het dialect van Heeze onder Eindhoven lijkt veel op dat van Leende, maar dat van Budel
wijkt sterk af van die twee dialecten. Om die onderlinge verwantschappen te structureren, is er
een indeling van de Noord-Brabantse dialecten gemaakt (zie Belemans, Kruijsen en Van Keymeulen
1998 of de Klankgeografie van het Woordenboek van de Brabantse dialecten (WBD)). De
indeling is gebaseerd op taalverschijnselgrenzen (isoglossen, de grenzen tussen verspreidingsgebieden
van woorden, klanken enz.) en op taalbewustzijnsgrenzen (waarbij mensen werd gevraagd
met welk dialect het hunne overeenkomt). De grootste twee gebieden zijn daarbij het
West-Brabantse dialectgebied en het Oost-Brabantse. Het West-Brabantse, om precies te zijn het
Noordwest-Brabantse dialectgebied omvat het Markizaats, het Baronies en ook het Antwerps,
dat de westelijke helft van de provincie Antwerpen bestrijkt. Op die manier bestrijkt het West-
Brabantse dialectgebied de westelijke helft van Noord-Brabant met uitzondering van de Westhoek,
waarin dorpen liggen als Klundert, Fijnaart en Dinteloord waar men een dialect spreekt
dat sterk is beïnvloed door het Zuid-Hollands.
Het Oost-Noord-Brabantse of Meierijse dialectgebied omvat de oostelijke helft van
Noord-Brabant met uitzondering van het Land van Cuijk en Budel en omstreken. Op deze twee
gebieden kom ik verderop nog terug. Tussen het West-Brabants en het Oost-Brabants ligt een
Midden-Brabants overgangsgebied waarin Tilburg ligt en dat in het noorden breder wordt, zodat
het de Langstraat, het land van Heusden en Altena en de Maaskant omvat.
Wat zijn nu de oorzaken van die begrenzingen, waarom is het Oost-Brabants anders dan
het West-Brabants? Dat komt op de eerste plaats doordat beide gebieden al heel lang staatkundige
eenheden vormen. Van 1200 tot 1800 liep er een invloedrijke politieke grens tussen de Baronie
van Breda en de Meierij van 's–Hertogenbosch. Deze historische scheiding tussen oostelijk
en westelijk Noord-Brabant horen we nog steeds in de dialecten. De grens ligt ter hoogte van de
rivier de Donge, die loopt van Riel via het dorp Dongen naar Geertruidenberg, waar ze in de
Maas uitkomt. Een strook aan weerszijden van die rivier de Donge vormt een overgangsgebied
tussen de dialecten van Oost- en West-Brabant.
De Meierij is het gebied waar in de twaalfde eeuw de meier, de plaatsvervanger van de
hertog van Brabant in 's–Hertogenbosch, het voor het zeggen had. In die tijd werd de Meierij
een maatschappelijke eenheid, maar het zwaartepunt van het hertogdom Brabant lag veel zuidelijker:
in Leuven, Brussel en Antwerpen. De Oost-Noord-Brabantse eenheid is trouwens nog
ouder: de Meierij komt grofweg overeen met de oude Frankische gouw Texandria. In West-
Brabant speelde de Tachtigjarige Oorlog een belangrijke rol; tegen het einde van de zestiende
eeuw was dit gebied bijna geheel ontvolkt. Later raakte het opnieuw bewoond door mensen uit
het zuiden, wat nu de provincie Antwerpen is. Daarom lijken West-Brabantse dialecten meer op
Antwerpse dialecten dan op Oost-Brabantse.
Typisch West-Brabants is het ontbreken van de [h] aan het woordbegin, bijv. ondje, de
uitspraak van de [i] als korte [ie], wiet 'wit', en de omkering van [sp] in [ps] zoals in mipsel en de
plaatsnaam Nipse.
Een opmerkelijk verschil tussen West-Brabantse en Oost-Brabantse dialecten is het gebruik
van het stopwoordje. Als men in het westen een zin afsluit met een impliciete vraag om
instemming, doet men dat met eej?; in het oosten gebeurt dat met war?, wor? of wánne? (hetgeen
is samengetrokken uit 'waar niet?', cf. Nederlands 'nietwaar?'). En natuurlijk zijn er talloze begrippen
te noemen die in het westen anders benoemd worden dan in het oosten zoals de vlinder
(kapel vs. zomervogel).
Voor Oost-Brabant zijn er een aantal typische oude dialectkenmerken te noemen, die
ontbreken in West-Brabant en ook in de andere aangrenzende dialecten zoals het Limburgs of
Gelders. Oost-Brabant is daarmee een conservatief dialectgebied, hetgeen waarschijnlijk wordt
veroorzaakt doordat het van oudsher een geïsoleerd gebied was met zijn schrale zandgronden
en heidegebieden. Tot die typische oude dialectkenmerken behoren o.m. de uitspraakvarianten
[sk], voor [sch] waarom de plaats Schijndel vanouds wordt bespot in de volksroep Skééndelse
skooljong gòn mi skón skoewn nor skool, [ao] voor een [ui], zoals in kaol, dat in het noorden van de
Meierij niet alleen voor 'kaal' maar ook voor 'kuil' gezegd wordt, het stemloos uitspreken van de
eerste klank in bijv. fink (vink) en soft (zacht; de [v] en [z] die we nu horen in het Standaardnederlands
komen voort uit een Oudnederlandse [f] en [s]) en tenslotte de suizende [r]. De uitspraak
van de suizende [r], die in het Nederlandse dialectgebied alleen in Oost-Brabant wordt
gevonden, is als volgt omschreven: terwijl de tong ratelt, is de afstand tussen de tanden dusdanig
klein dat er ook een suizend geluid klinkt. In een aantal woorden is nog een overblijfsel te
herkennen in een rs- of rz-cluster dat ontstaan is uit een suizende -r-: knoorze (knorren), skaarze
(bijeenscharen), durske (deerntje) en kaorze (karnen). Het is niet zeker of deze bijzondere uitspraak
van de [r] inmiddels is verdwenen. Nog in 1981 en 1982 wordt er nl. in een schriftelijke
vragenlijst van het WBD voor Volkel sritsele ingevuld voor ruisen en voor Boekel zrink en zribbel
voor ring en ribbel en zelfs in 1998 maakt een artikel in het tijdschrift De Wanmeule van de
heemkundekring in Boekel gewag van rzògbloeme (korenbloemen). Dit zijn geen gevallen van
een ontwikkeling van suizende [r] naar rs-cluster want zo'n cluster komt niet voor aan het
woordbegin. Bovendien doet de notering (de s/z staat tussen haakjes) vermoeden dat men bedoelt
dat de [s] of [z] niet volledig wordt uitgesproken en dat duidt op een suizende [r]. Deze
geschreven bronnen hoeven evenwel niet reflecties te zijn van hedendaags taalgebruik, maar
kunnen dat zijn van taalkennis, de kennis van dialectgebruik zoals het ooit geweest is.
3. Cuijks, Budels en Maaskants
In deze paragraaf ga ik in op drie randgebieden in Noord-Brabant waarvan de dialecten sterk
afwijken van de zojuist besproken Oost-Brabantse dialecten. De grenzen tussen de dialectgebieden
zijn veel scherper dan de grens tussen het Oost- en West-Brabants; daar is sprake van een
Midden-Brabants overgangszone. Deze scherpere dialectgrenzen liggen vaak precies op grenzen
van andere aard, zoals staatkundige of economische grenzen.
In het oosten grenst de Meierij aan het Land van Cuijk. De dialecten van het Land van
Cuijk sluiten meer aan bij de dialecten van zuidoostelijk Gelderland en noordelijk Limburg en
ook die van het dorp Budel en omstreken wijken veel sterker af van het Oost-Brabants dan het
West-Brabants dat doet. Cuijks en Budels klinken Brabanders wat Limburgs in de oren, men zegt
er holt voor hout, hoes of huus voor huis en tied voor tijd.
De reden voor die uitspraakverschillen is dat die woorden die in het Standaardnederlands
de klanken [ij] en [ui] hebben, in het Middelnederlands (het Nederlands van voor de 16e
eeuw) nog [ie] en [uu] hadden. Die oude situatie is gehandhaafd in het Land van Cuijk: tijd-tied en
huis-huus. Het is dus niet zo dat de [ui] in het Cuijks een [uu] is geworden, maar de Standaardnederlandse
[ui] is nu juist ontstaan uit een [uu]. Dialecten zijn niet ontstaan uit het Nederlands,
maar zijn juist veel ouder dan het huidige Standaardnederlands.
Voor de [ij] moet daarbij worden aangetekend dat er alleen een [ie] wordt uitgesproken
als het betreffende woord oorspronkelijk een Westgermaanse [î] had; die woorden zijn in de
spelling van het Nederlands over het algemeen te herkennen aan een lange [ij]. Woorden met
een korte [ei] (meestal oorspronkelijk Westgermaanse [ai]) hebben in het Land van Cuijk dus
niet een [ie], maar een [ij] die een beetje gesloten is en meer klinkt als de [i] van stip met een [j]
erachter: [i-j].
Wat de [ui] betreft, moet worden aangetekend dat alleen de oorspronkelijk Germaanse
woorden zoals huis teruggaan op een Westgermaanse [û] in het Cuijks nog de Middelnederlandse
uu hebben gehandhaafd. In Romaanse leenwoorden zoals fluit (Frans flute, Latijn flâtus 'ge-
luid') heeft het Land van Cuijk dus wel een [ui]. Althans zo is dat te lezen in de Klankinleiding
van Woordenboek van de Brabantse Dialecten, maar toch vind ik bij Willems (1885) fruut in Boxmeer,
terwijl fruit ook een Romaanse oorsprong heeft (Frans fruit, Latijn fructus). Dat is een geval van
analogie: omdat de klinker in fruit in het Standaardnderlands hetzelfde klinkt als die in huis
heeft de dialectspreker er ook een [uu] van gemaakt.
In het Standaardnederlands hebben woorden die ooit eindigden op –old of –ald, een ou
of au gekregen. In de dialecten van het Land van Cuijk is de oude situatie deels gehandhaafd:
koud-kald en hout-hold.
Ook typisch Cuijks is dat woorden op –ind daar –ien(d) of –ieng hebben: kind-kiend en binden-
biene, bienge en de Meierijse verkorting ontbreekt in het Land van Cuijk (Meierijs tórre vs.
Cuijks toore).
Behalve deze voorbeelden van klankverschillen tussen Meierijse en Cuijkse dialecten
zijn er tal van afzonderlijke dialectwoorden die wel in het Land van Cuijk, maar niet in aangrenzend
Noord-Brabant voorkomen, en andersom.
| Land van Cuijk | Meierij | |
| lantaarn: | lucht | lantèrre, lantèèrs |
| nachtvlinder: | kog | lampesnutter |
| poosje: | stoot, stutje | lutske |
| spreeuw: | spraon | spreuw |
| afrasteren: | glinte | vreeje |
Vooral waar de Meierij aan het Land van Cuijk met zijn sterk afwijkende dialecten grenst, zijn er
verschillende oorzaken aan te wijzen voor de loop van de isoglossenbundel (een samenval van
taalverschijnselgrenzen) tussen beide dialectgroepen. Ten eerste is daar de historische (staatkundige)
ontwikkeling van de streek. De isoglossenbundel volgt nauwkeurig de grens tussen het
hertogdom Brabant aan de westzijde en aan de oostzijde de stad Grave, het Land van Cuijk en de
Baronie van Boxmeer, die zich oostwaarts oriënteerden op Gelre en Kleef. Die grens is waarschijnlijk
dezelfde als de veel oudere grens tussen de oude Frankische gouwen Mosago en
Texandria uit de 8e eeuw. Pas ten tijde van de Bataafse republiek wordt het Land van Cuijk aan
Noord-Brabant toegevoegd. Op de tweede plaats heeft de aardrijkskundige gesteldheid in deze
regio een belangrijke rol gespeeld. Voor de tijd van de ontginning en ontwatering liep de Peel,
een enorm gebied van onbegaanbaar veenmoeras en onherbergzame heide, precies tussen Zeeland,
Volkel en Gemert met hun Meierijse tongval aan de westkant en Mill, Wanroij en Oploo
met hun Cuijkse tongval aan de oostzijde. De Peel is nu al lang ver naar het zuiden teruggedrongen,
maar nog altijd ligt er een strook zonder dorpskernen op de plaats van de isoglossenbundel.
Op de derde plaats is deze grens dezelfde als een grens die etnologen hier hebben gevonden.
Paasvuren, een Saksisch gebruik, kwamen in Noord-Brabant alleen in het Land van Cuijk voor,
kerken zonder dwarsbeuk vindt men enkel in het Land van Cuijk en de termijn waarop knechten
en meiden gehuurd worden is daar 1 mei, maar in overig oostelijk Noord-Brabant is dat 22 of 24
februari. Ook in 2002 ziet men nog de oriëntatie van deze streek op Gelderland: het meest gelezen
dagblad is daar de Gelderlander, niet het Brabants Dagblad.
In het zuiden grenst de Meierij aan Belgisch Limburg; de dialecten van de dorpjes Budel,
Soerendonk en Maarheeze wijken sterk van het Meierijs af en sluiten aan bij de zogenoemde
Dommellandse dialecten in het noordwesten van Belgisch Limburg. Dit wordt historisch verklaard
doordat de betreffende dorpen ten zuiden van uitgestrekte heidegebieden lagen en meer
contact met Hamont en Weert hadden dan met aangrenzende Noord-Brabantse dorpen. Budelse
dialecten zijn o.m. herkenbaar aan de [oe] in hoes (huis; hier is de Westgermaanse [û] zelfs niet
in [uu] veranderd) de [ie] in tied (tijd) en de [ch] in ich en mich (resp. ik, mij).
Aan de noordzijde grenst de Meierij aan de Maaskant (ook het Maasland genoemd). De
dialecten die hier worden gesproken vormen een oostelijke uitloper van de Midden-Noord-
Brabantse dialectgroep in de vorm van een smalle strook langs de Maas. Daarin liggen dorpen
zoals Empel, Lith en Oijen en de oude stadjes Megen en Ravenstein op kleigrond met dialecten
die duidelijk afwijken van de aangrenzende Meierijse dialecten op de zandgronden. Bij het oude
garnizoensstadje Grave grenzen deze Maaslandse dialecten aan het Land van Cuijk. Het Maasland
heeft ook weer een andere historie dan de Meierij. In de 10e eeuw behoort de Meierij tot
het hertogdom Neder-Lotharingen, maar het Maaslandse dialectgebied, de kleistrook van Grave
tot 's–Hertogenbosch behoort tot wat dan Friesland heet. Later blijft het gebied met het graafschap
Megen, het Land van Ravenstein en de stad Grave sterk gericht op Kleef en Gelre; Dieden
en Oijen zijn zelfs lang Gelders geweest. Door de ligging aan de rivier de Maas, een belangrijke
verkeersader, heeft dit gebied bovendien veel meer bloot gestaan aan vernieuwingen dan de
zandgronden. Een typisch kenmerk van Maaskantse dialecten is dat de [oo] en de [ee] er gesloten
en lang worden uitgesproken: roews, boewm (roos, boom) en biejn, miejr (been, meer). Maaskants
huujre en geluuwve i.p.v. Meierijs héúre en geléúve sluiten daar bij aan, want ook die uitspraak
is geslotener en langer. De [ei] (de voorbeelden schrijf je allemaal met korte ei) wordt er
juist opener uitgesproken, als [aa]; 'eigenlijk' zegt men als aagentlek of aanlek, 'eigen' als aage,
'steil haar' heet daar paanhaor (paan is 'kweekgras', in de Meierij pèèn) en de 'kleine' is de klaane.
4. Hollands in Brabant
Behalve de zojuist genoemde drie randgebieden zijn er verder naar het westen twee gebieden
waar men dialecten spreekt die aan het Hollands verwant zijn: de dialecten van de Westhoek
enerzijds en anderzijds die van het Land van Heusden, het Land van Altena en de Langstraat.
Het Westhoeks wordt gesproken in het noordwestpuntje van onze provincie, in dorpen
zoals Dinteloord, Fijnaart, Klundert en Willemstad. Dat gebied is na de Elizabethsvloed van 1421
pas aan het einde van de 16e eeuw bedijkt en bewoond geraakt, en dat geschiedde door mensen
van verschillende herkomst. De landarbeiders kwamen uit de Brabantse zandstreek maar de
landeigenaren waren Zeeuwen en Hollanders en aan hen hebben de Brabanders zich aangepast,
want de spraak van de hogere klasse had meer prestige.
De belangrijkste kenmerken die maken dat het Westhoeks meer Hollands dan Brabants
is, zijn een [t] achter de persoonsvorm in de eerste persoon (ik doet, ik gaot), de vorming van verkleinwoorden:
lapje i.p.v. lèpke en de persoonlijke voornaamwoorden van de tweede persoon: jij
i.p.v. gij.
Niet alleen in het dialect, maar ook in andere indentiteit-bepalende eigenschappen,
wijkt de Westhoek af van overig West-Brabant: men is er overwegend protestants, men droeg
andere mutsen (de Zeeuwse keuvel) en men bouwde er boerenwoningen van het Friese type die
elders in Noord-Brabant ontbreken.
Tussen het Oost-Brabants en het West-Brabants loopt een smalle overgangsstrook,
waarin Tilburg ligt. De betreffende dialecten heten Midden-Brabants. Naar het noorden wordt
het overgangsgebied breder en omvat het de Langstraat, het Land van Heusden en het Land van
Altena. Met name in het gebied dat ten noorden van de Bergse Maas ligt (het Land van Altena en
een deel van het Land van Heusden) en iets mindere mate in de Langstraat spreekt men Brabants
dat veel Hollandse invloeden heeft gehad. Ook hier heeft men vorming van verkleinwoorden
naar Hollands voorbeeld: lapje i.p.v. lèpke en de persoonlijke voornaamwoorden van de
tweede persoon: jij i.p.v. gij. Het Land van Heusden en Altena is op verschillende manieren op
Holland georiënteerd geweest: de oude loop van de Maas (nu de Bergse Maas) scheidde dat gebied
van overig Brabant, politieke grenzen deden hetzelfde (het Land van Heusden en Altena
behoorde tot de Frankische gouw Merweda, niet tot Texandria, en daarna grotendeels niet tot
het hertogdom Brabant, maar aan Holland, tot aan de Franse tijd) en er was veel turfhandel van
de Langstraat op Holland. Daarenboven is ook dit gebied overwegend protestants en godsdienst
bepaalt sterk het identiteitsgevoel. Ook in 2002 ziet men nog de oriëntatie van deze streek op
Holland; zo gaan er veel kinderen in het Land van Altena naar de middelbare school in Gorinchem.
5. Conclusie
Er zijn verschillende factoren die lexicale variatie en uitspraakvariatie veroorzaken en die factoren
bepalen ook onze identiteit:
staatkundige indeling (grenzen van de Frankische gouwen, grenzen van de kwartieren van het hertogdom enz.)
kerkelijke indeling (grenzen tussen bestuurlijke eenheden zoals parochies, de grens tussen overwegend protestantse en katholieke gebieden)
erfrechtelijke indeling (in Oost-Brabant kende men Belgisch-Helvetisch recht en in West-Brabant Ligurisch recht)
aardrijkskundige gesteldheid (heiden, moerassen enz.)
economische afhankelijkheid (met name de invloed van het markten)
culturele (etnologische) gebruiken, waaronder de bouwstijlen van hoeven en kerken, klederdrachten enz.
De loop van de dialectgrenzen in Noord-Brabant is menige keer verklaarbaar doordat ze samenvalt
met die van grenzen van andere aard, maar zelf zijn zij enkel gebaseerd op taalverschijnselen
en op taalbewustzijn.
Naast het zojuist genoemde zestal factoren die eigenlijk buiten de taalgebruiker zelf liggen,
bepaalt bovendien individuele creativiteit lexicale variatie. Voor sommige begrippen lijkt
er wel in bijna ieder dorp een ander woord te bestaan. Zo zijn er voor de koolmees maar liefst 60
verschillende namen opgetekend in de dialecten van Noord-Brabant, bijv. zwartköpke, osseköpke,
schiet-in-'t-vuur, koelder, geelborstje, biemeeske, biemeeuweske, biemeuk, bieteujke, biemisterke, biekoolver,
biediefke en biebèèter. Een dergelijke taalcreativiteit is een direct resultaat van de menselijke
geest (zie Swanenberg 2000). In de enorme lexicale variatie komen alle facetten van de waarneming
en het gevoelsleven aan de orde, zodat de benamingen van een koolmees op verschillende
manieren kunnen refereren aan zijn kleur, zijn zang of roep of de schade die hij veroorzaakt aan
de bijenteelt.
De taalvariatie vindt zijn oorsprong in het samengaan van dergelijke taalinterne of cognitieve
processen en het zestal taalexterne factoren, die paralel aan de streektaal ook de identiteit
hebben bepaald.
Bibliografie
Belemans, R., J. Kruijsen, J. Van Keymeulen (1998) "Gebiedsindeling van de zuidelijk-Nederlandse dialecten" in: Taal en tongval 50, blz. 26-42.
Heestermans, H. en J. Stroop, (2002) Taal in stad en land. West-Brabants.'s-Gravenhage.
Sleeuwen, M. van (1998) "Namen van een aantal planten in het dialect van Boekel" in: De Wanmeule 15, blz. 9-11.
Swanenberg, J. (2000) Lexicale variatie cognitief-semantisch benaderd. Over het benoemen van vogels in Zuid-Nederlandse dialecten. Dissertatie. Nijmegen.
Swanenberg, J. en C. Swanenberg (2002) Taal in stad en land. Oost-Brabants. 's-Gravenhage. WBD (1967--) Woordenboek van de Brabantse Dialecten, (verschijnt in delen en afleveringen). Assen.
Weijnen, A. A. (1937) Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant. Fijnaart.
Weijnen, A. A. (1947) "De onderscheiding van dialectgroepen in Noord-Brabant en Limburg", in Akademiedagen I. Voordrachten gehouden te 's-Hertogenbosch op 11 en 12 Apr. 1947. Amsterdam, blz. 69-99.